Tagarchief: smetvrees

De verdrietdokter

Wat een prachtig woord. Ik leerde het eergisteren kennen toen ik voor het slapen gaan met Dirk De Wachter in bed kroop. Of beter, met Liefde. Een onmogelijk verlangen?’ Ik weet niet wat me het meest fascineert aan die man: het feit dat ik hem zonder dralen de auto in zou willen sleuren om hem binnen de kortste keren af te zetten bij onze kapster in Knesselare of het feit dat zijn flinterdunne boeken (ik las eerder ‘De kunst van het ongelukkig zijn’) mij in het diepste van mijn ziel raken.

Verdrietdokter dus. Niet te verwarren met een dokter die jou verdriet aan doet. Want die bestaan ook. Ik heb van beide een exemplaar dat ik koester, ironisch genoeg vooral de laatste, zij die mijn emoties op de proef stelt.

De eerste is een knappe jongeman met een heerlijke naam. Hij zou mijn zoon zou kunnen zijn moesten mijn tienerjaren één langgerekt, wild, heteroseksueel avontuur geweest zijn. Wie zijn vader is zou ik me vanzelfsprekend niet meer herinneren binnen de geschetste context, maar ongetwijfeld iemand met goede genen, dat zie ik zo wanneer ik naar de twintiger kijk. Zijn gevoel voor humor en intelligentie heeft hij wellicht van zijn moeder meegekregen, mijmer ik, wanneer ik me voorstel dat ik degene was die hem in het moederhuis in de armen sloot na zijn geboorte. Hij is de dokter die geen arts is. Geen witte schort voor hem, maar een Scandinavische trui die zijn vriendin voor hem kocht. De zwartblauwe Vans met te lange nestels staan hem beeldig. Hij is degene die mijn leven mee draaglijker maakt, degene die samen met me lacht, zegt dat er niets mis is met wenen en die me het gevoel geeft dat het leven toch een feest is, ondanks momenten vol zelfmedelijden. Ik weet dat hij gelijk heeft. Ik glimlach en prijs me gelukkig met de ziekte die ik heb. Anders zou hij nooit in mijn leven opgedoken zijn.

De tweede is een ravissante, mysterieuze, androgyne dokteres met benen die tot de hemel reiken. Net iets groter dan mezelf. Een leeftijdgenoot die keer op keer onbewust met de hakken van Louboutins die ze wellicht niet eens bezit mijn hart intrapt. Om daarna de stukjes op het meest onverwachte moment op te rapen en met chirurgische precisie opnieuw perfect aan elkaar te lijmen. Alsof er niets gebeurd is. Dat vraagt tijd, en niet omdat het met Pattex opletten is voor aan elkaar klevende vingers. Tijd heelt immers alle wonden, maar als ze ondoordacht door iemand toegebracht worden en je zelf, zonder hulp van die persoon voor genezing moet zorgen, beland je op een emotionele rollercoaster. Slaan en zalven, ik hou er wel van. Ook van het verrukkelijk, zelfverzonnen taaltje dat ze spreekt. Smetvrees? “Een scheet in een glas water!” Om op te eten is ze, zeg ik u.

Mijn eigen jonge, getalenteerde verdrietdokter, de dokteres die me verdriet doet en – niet te vergeten – mijn vriendin en zielsverwant K. zijn voor mij van onschatbare waarde. Het zijn mensen die mijn lijden verzachten. Die me beter maken en van het leven doen genieten. Ze zijn het beste wat me ooit kon overkomen. En het mooiste is vaak dat ze zich niet bewust zijn van de rol die ze in je leven spelen. Ik zou nergens zijn zonder hen.

Niet alleen heeft iedereen zo iemand nodig, we moeten tevens zo iemand zijn voor anderen als het even kan. Zeker in een tijd waar angst alomtegenwoordig is. De angst die ik voel is één die verder gaat dan angst voor corona. Het is de angst voor een monster dat op de loer ligt en zich nog niet toont. Eén waar mensen zich nog niet van bewust zijn. Eén die kan toeslaan om nooit meer weg te gaan. Eén waar je je niet tegen kan inenten: smetvrees.

Het is onwerkelijk om als OCD-patiënt plots allerlei prikkels waar te nemen waaruit blijkt dat één en ander de verkeerde kant op dreigt te gaan.

Het eerste signaal dat me met de neus op de feiten drukte, kwam tijdens een telefoontje van mijn mama. Met de dalende olieprijzen had ik nog snel mazout besteld voor haar. “Ze zijn geweest” meldde ze, “maar ik heb toch maar de sleutel van het slot op de mazouttank afgewassen.” Hoorde ik het goed dat één van de personen het dichtst in mijn omgeving, meer nog: iemand die jarenlang in ging tegen mijn dwanghandelingen, plots een slag van de hamer gekregen had en deed wat ze tot dan zelf altijd onbegrijpelijk had gevonden?

Met de opkomende coronacrisis kregen ook berichten van vrienden een voor mij gruwelijke bijklank. Zo schreef één van mijn naaste vrienden me dat de hij de overdozen van geïmporteerde en wellicht overheerlijke Spumante na levering met een alcoholoplossing bespoten had om dan ook nog eens na het unboxen van de inhoud de haard in te gooien. Met veel schwung, daar twijfel ik niet aan. Ook zo de overdoos van de bestelde kattenbrokken die op 2 april bezorgd werd, “maar die was op 31 maart verpakt, dus het virus zou al zeker dood zijn.” Zou. Een veronderstelling dus. De aandacht waarmee hij ogenschijnlijk alle verpakkingen checkt, ontsnapt aan zelfs aan mij als OCD-patiënt. Wat mij wel gerust stelde was dat hij verder met geen woord repte over een steekvlam, dus op het vlak van de gebruikte hoeveelheid alcohol zit het goed dan, neem ik aan.

Dezelfde vriend meldde tevens dat iemand uit zijn straat hem kwam melden dat twee van hun gezamenlijke buren met corona opgenomen waren in het ziekenhuis. Het is een raar gevoel. De tristesse om dit nieuws meegedeeld te krijgen in combinatie met zijn afsluiter: “Nog nooit zo snel de deurbel en klink gedesinfecteerd nadat de buurvrouw afscheid nam.” Voorzichtigheid voor het virus moet aan de dag gelegd worden en rust moet op een of andere manier terugkeren in je leven, maar of dit de juiste handelswijze is? Het coronavirus heeft een metgezel.

Een mens zou zich voor minder zorgen gaan maken om zijn dierbaren. En over anderen die mee de strijd voeren tegen meer dan één onzichtbare vijand.

De ernst van de situatie werd me al snel duidelijk toen ik op 12 maart een Telenet-dienaar over de vloer kreeg. Mensen voorbij je voordeur laten is pure horror wanneer je met OCD leeft. Het hek is helemaal van de dam wanneer het een onbekend iemand is die je wel moet binnen laten. Je hebt geen controle over waar ze gaan, waar ze hun spullen neerleggen, wat ze aanraken. Ze doen wat ze normaal doen, zonder nadenken. En als je echt pech hebt, denken ze dat jouw thuis hun thuis is.

Die bewuste woensdag was dat wel even anders. Alle spanning viel weg langs mijn kant. Er was nog geen sprake van een lockdown, maar enkele maatregelen werden wel al opgelegd. En de man die aanbelde was er alvast eentje die mooi in de pas liep. Een OCD-er in spé, zoveel was snel duidelijk. Bij het openen van de deur stond hij ruim 3 meter van mij verwijderd op het fietspad, klaar om omver gereden te worden door een aanstormende pedelec. Hij liet de voordeur achter zich open toen ik hem begeleidde naar de kelder om toch maar geen deurklink te moeten aanraken. Na de installatie van de nieuwe modem vroeg hij of hij zijn handen kon wassen. Ik wees hem vriendelijk naar de wasbak die zich achter een gesloten deur bevond waarna hij als een amateur de deurklink met zijn elleboog, voorarm en uiteindelijk pols probeerde te openen. Oefening baart kunst en er was duidelijk nog flink wat werk voor de boeg. Ook de instructies die van hogerhand voor het handen wassen waren opgelegd, had hij duidelijk begrepen. Nadat ik van op afstand wat vloeibare zeep in zijn handpalmen had gespoten schrobde de man zijn handen dat het een lieve lust was. De schuurspons die op de wastafel lag, moest er aan geloven. Even drogen in de Kempische lucht en klaar was Kees. Al was dat duidelijk niet zijn echte naam. En nu verder niets meer aanraken, zag ik hem denken. Wat restte was zijn laptop bij de hand nemen en er vliegensvlug vandoor gaan, naar de volgende vuurlinie.

Naast mijn bezorgdheid om anderen is corona uiteraard een confrontatie met nieuwe angsten voor mezelf. Of een ergere vorm van een bestaande angst. Zo is het telkens weer knarsetandend en nagelbijtend wachten op de komst van de postbode. Ze zijn qua onachtzaamheid een versnelling hoger geschakeld in mijn ogen. Zelfs de invloed van sterke drank lijkt me positiever dan de instructies die die mensen van de chef meegekregen hebben. De ene obsessieve compulsieve stoornis is natuurlijk de andere niet, maar de grond is wat mij betreft verboden terrein voor zowat alles dat daar niet hoort op te liggen of op te staan. Sommige dingen zijn voorbestemd om onlosmakelijk verbonden te zijn met de grond onder onze voeten. Laat het duidelijk zijn: pakjes zijn er daar geen van. En al helemaal niet wanneer ze gewoon de brievenbus in kunnen. Ik druk u met de neus op de feiten: de grond is vuil. Ooit al bij stilgestaan wat zich op dat oppervlak afspeelt? U mag dan beter dweilen dan de beste poetshulp die aan huis schoonmaakt met dienstencheques, de postbode dropt je pakje buiten, voor uw woning. Het is al helemaal om te huilen wanneer je de voordeur opentrekt en van de persoon in kwestie nog amper een spoor te vinden is omdat hij of zij geteisterd door schrik zijn camionette ingevlucht is. Geen kans om even mee te geven wat de veilige plaats is die een corona makeover kreeg. Groter dan mijn angst om covid-19 te krijgen is dus de schrik dat de postbode mijn pakket op de grond zal zetten. En die onbevattelijke redenering baart me grote zorgen.

Moest het u interesseren, “Liefde. Een onmogelijk verlangen?” zat netjes in de brievenbus. Dat scheelt weer een keer handen wassen. Nu ja, niet echt.

Dirk De Wachter schrijft dat liefde niet maakbaar is. Niets is maakbaar, denk ik dan. Controle is een illusie. Meer nog, een desillusie. In combinatie met OCD resulteerde dat de voorbije jaren in hartverscheurende taferelen en tranen met tuiten.

Thank God voor de verdrietdokter.

De dorpsgek

Zo voel ik me. Iemand wiens gedrag flink afwijkt van de norm. Althans, dat heb ik altijd gedacht. Want wat ik dezer dagen in de krant lees of op straat zie wanneer ik – noodgedwongen – mijn kot uit kom, leek me meer iets voor mijn stoutste dromen. Is dit waar ik al die tijd stiekem naar verlangde? Mezelf de normale tussen de abnormalen voelen?

We zijn 2003 wanneer iets in mij plotsklaps vindt dat ik maar wat vaker mijn handen moet wassen. En bij uitbreiding mijn onderarmen tot net boven de ellebogen. Misschien ook even tellen. Zo weet ik dat ik het zeker goed gedaan heb. En bij twijfel: gewoon opnieuw.

Ik stel zelf een diagnose: OCD, een obsessieve compulsieve stoornis. Dwanghandelingen op zoek naar rust. Een volkomen onlogisch gedrag dat – gevoed door irrationele gedachten – met de tijd ontspoort. Het absolute hoogtepunt (of beter dieptepunt) was 2006. De jaren die daarop volgden vertaalden zich in een gevoel van machteloosheid en overgave aan de ziekte. Van lotgenoten: geen spoor. Een professioneel iemand die me écht kan helpen? Niet te vinden. Het is een eenzame strijd.

Wilskracht, steun van de mensen het dichtst bij mij, verbale discussies en ruzie met diezelfde personen, pijn en verdriet hebben mij uiteindelijk gemaakt tot wie ik vandaag ben. En dat is iemand die alles goed voor mekaar heeft, gelukkig, liefdevol en optimistisch door het leven stapt, meer heeft dan haar hart verlangt, inclusief iemand die haar onvoorwaardelijk graag ziet. Dat laatste is uiteindelijk het enige wat écht telt.

Als ik de ziekte met één gevoel associeer, dan is het schaamte. Dit verklaart waarom het 17 jaar duurde vooraleer ik er blijkbaar ook maar iets over op papier durfde zetten. Schaamte die zich vertaalt in angst om plots anders bekeken te worden. Ik stel mezelf kwetsbaar op. Maar die kwetsbaarheid getuigt ook van sterkte. Dat maak ik mezelf tenminste wijs.

Het is ironisch dat de hele coronacrisis net datgene is wat me over de streep trok om over een leven met OCD te gaan schrijven. De angst die ik vandaag echter voel is er geen die ik weg kan wassen met zeep, maar een bezorgdheid om mensen rondom mij. Vooral dan nog mensen waar ik me niet zozeer om hoef te bekommeren: toevallige passanten die mijn levenspad kruisen die ik dus van haar noch pluim ken.

Beeld je eens in hoe het moet voelen om het gedrag dat je koste wat het kost probeerde af te leren (terecht) opgelegd te krijgen (“Was uw handen“). Of hoe het is om dat wat je altijd voor anderen probeerde te verhullen plots te zien opduiken als doodnormale handelingen van de hele goegemeente. En het toppunt: geen mens in het openbaar die zich daar schijnbaar voor geneert en gewoon doet wat hij of zij denkt te moeten doen. Of dat een weloverwogen en wijze handeling is of eerder gestuwd wordt door een kortsluiting in de hersenpan zonder enige vorm van rationele weerstand, laat ik in het midden.

Als ik nog twijfelde om met deze blog van start te gaan, laat het dan duidelijk zijn een artikel van journalist Chris Snick in de Standaard het vuur aan de lont stak. Nu goed, moest ons leven op dit moment niet beheerst worden door corona of zou ik geen OCD hebben, dan zou ik denken dat de brave man niet goed ‘snik’ was om een zin als ‘Iedereen graait met zijn handen in de bak met snoeptomaten of appelen, maar je kan die thuis toch moeilijk wassen met Sunlight. uit zijn pen te laten vloeien. Maar corona is een feit en ik heb OCD. Toen wist ik. Ik moet hier iets over schrijven.

Lees mee, maar zet je schrap. Huiver, ween en lach.

Leven met OCD is geen pretje. En samenleven met iemand die het heeft nog minder.

Dit is voor jou, K. Voor mij. Voor ons.

En voor iedereen die zich hier in herkent. Al is het maar een beetje.


On a side note: je kan snoeptomaten wassen met Sunlight. Been there, done that.