Je hebt zo van die mensen voor wie je – wanneer je denkt in de weg te staan – met plezier een stap opzij zet. Om dan vast te stellen dat ‘passeren’ niet hun intentie is, maar ze exact op de plek waar jij stond halt houden. Eerder deze week was het weer van dat in de Kringwinkel van Hoogstraten. Een vrouw zonder manieren, het verder beschrijven niet waard. Graaiend naar kookboeken in het rek tegenover de bak met langspeelplaten duwde ze mij met haar wolk van onbeleefdheid weg. Ze brak in in mijn veilige ruimte. Mijn OCD-alarm werd bovendien niet één, maar twee keer geactiveerd. De keukenprinses van het onderland legde ook nog eens Het allerslechtste van Jeroen Meus op de lp’s die ik seconden voordien aan een zorgvuldige analyse onderwierp. Dat betekende maar één ding: ik kon ze niet meer aanraken. Ook dat nog. Gedaan met de pret.
Nadat ik me snel uit de voeten maakte, stond ik voor de tweede keer die namiddag aan de rekken met kaders. Doorgaans niet veel soeps. Alsof het lot ermee gemoeid was, lag het nu daar. Dat wat ik al langer hoopte te vinden, maar in de eerste ronde duidelijk aan mijn gezichtsveld ontsnapt was: moraliserend houtsnijwerk met een hoek af. Het lag voor het grijpen, en ik greep het. Met beide handen. Gelukkig, want het voelde zwaarder dan ik ooit had durven denken. Echt.
Wat opviel was hoe de tekst in grote gotische letters inhoudelijk afweek van twee andere niemendalletjes die ik opmerkte: eentje voor een zilveren jubileum, een ander voor een pensioen. Het mijne? Dat ging over dankbaarheid. Over groen. Maar dan duivels. Want dat kleine figuurtje dat ik in der haast opmerkte, dat kwam toch recht van de hel? Niet?
Ik stond er verder niet bij stil, bleef gefascineerd door de tekst en zocht uit welke prijs er door de kringloopdeskundige met de natte vinger op was gekleefd. Een kleine witte sticker op de achterkant beantwoordde de vraag: 2,50 euro. Een paar minuten nutteloos getwijfel over de twee andere exemplaren leidden me af van elke verdere screening en ik begaf me naar de kassa. Ook omdat het al donker werd. Een inderhaast-aankoop dus. Recht de kofferbak in en mee naar huis. Op weg naar een centrale plaats in de living.
Ik had dus weer iets mee waarvan ik niet weet waar het vandaan komt. En dan heb ik het niet over voormalige eigenaars van deze parodie op moraliteit. Want dat is het. De hoorntjes die ik duidelijk zag voorspelden niet veel goeds… Dankbaarheid is een bloempje dat in weinig tuinen bloeit, lees ik. “En als het bloeit, dan knip ik het wel af” gniffelt een klein venijnig duiveltje dat zonder enige schroom in de grote letter ‘D’ met zijn gigantische schaar op vinkenslag ligt.
Ondeugd verstoort wat goed is. Ik besef dat ik een topstuk in handen heb.
Maar goed, waar vinden zulke houten wandborden met reliëfspreuken hun oorsprong? Blijkbaar gaan ze terug tot de late Middeleeuwen. Toen waren ze te vinden in gilden, kloosters en rederijkerskamers en hadden ze niets met interieurdecoratie te maken. Didactiek en religie stonden centraal. De esthetiek van de gotische pracht die ik vond verwijst met de letters en moraliserende boodschap duidelijk naar dat verleden.
Particuliere houten spreukpanelen zoals wij ze kennen, ontstonden in de periode tussen 1880 en 1914, toen huiskamerdecoratie opkwam en gebruiksproducten industrieel geproduceerd werden. Ze doken vooral op in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, maar ook in Nederland en Vlaanderen. De eerste generatie borden was volledig handgesneden, vaak donkerbruin en stonden vol bijbelwoorden en volkswijsheden. Ze waren duur en vooral voor de middenklasse en hogere klasse bestemd. Ook tijdens het interbellum was er sprake van een immense populariteit en viel niet te ontsnappen aan spreuken als Wie goed doet, goed ontmoet of God zegene dit huis.
In de piekperiode tussen 1950 en 1980 moest werkelijk elk huis wijsheid aan de muur hebben. Heel katholiek Vlaanderen en protestants Nederland klopte hier spaarvarkens voor kapot. Ze werden betaalbaar. Niks elitair, gewoon volkskunst. In België waren deze werkjes vooral het resultaat van Vlaamse huisvlijt en ambacht in kleine houtwerkplaatsen of avondscholen. Naast hun lettertype, reliëf (machinaal en nagebeiteld), donkere houtlak en eenvoudige achterkant werden ze steevast gekenmerkt door een figuurtje zoals bijvoorbeeld een duiveltje, een houthakker, boer of engel. Je kon ze werkelijk overal kopen: op markten, in huishoudwinkels, via postordercatalogi en souvenirwinkels in bv. Scherpenheuvel.
Na al die jaren en tal van eerdere levens lag het nu gewoon op me te wachten in de kringloopwinkel, waar mijn angst die namiddag zachtjes plaatsmaakte voor dankbaarheid.
Wat een duivels mooi, absurd werk. Menselijk en speels. Niet prekerig. Briljant.
wishing the mass of humanity more considerate🦉
I wish so too! 😥 Thank you for reading and commenting, Catharine 😉