“Je kan niet alles kopen.”
Vijf woorden waarmee Kaatje me ergens vorige week duidelijk maakte dat er grenzen bestaan. Grenzen waar ik zonder erbij stil te staan los over ga. De reden? Ik ben een slechte verzamelaar. Of beter: ik ben er helemaal geen. Confronterend is dat niet, het is tenslotte niets nieuws. Zo koop ik alles waar ik gelukkig van word. Kernwoord: willekeur. En dat is niet wat een verzamelaar doet. Die is te druk bezig met het vervolledigen van zijn collectie. Omdat compleet zijn voldoening geeft. Er mag geen enkel stuk ontbreken. En daar schuilt het probleem: kopen wat je gelukkig maakt, leidt tot 1001 niet-afgelijnde collecties. Grenzeloos genot door onvolledigheid. Ik vind het heerlijk.
Maar wacht. Wat? “Je kan niet alles kopen?”
Luidop vraag ik wat haar bezielt om zo’n onzin uit te kramen. Ik vergeet al snel dat me de les gespeld wordt en doe alsof ze niets gezegd heeft. Ik ga verder met mijn enthousiaste uiteenzetting over het boek dat ik “nu toch wel niet voor anderhalve euro in de kringloop gevonden heb zeker”.
Het Net dus, van Hans Habe. Nog nooit eerder van gehoord.
In de alfabetische wanorde van boekruggen op een laag vak van een boekenkast viel me plots A.W. Bruna op. We hebben hier wel meer in huis van de uitgeverij die Albert Willem in 1868 oprichtte. Hoofdzakelijk Zwarte Beertjes van Leslie Charteris’ legendarisch personage The Saint. Die collectie is ontstaan toen we in een ver verleden alle zomers vroeg uit de veren waren en naar de wekelijkse rommelmarkt gingen. Terwijl de verkopers hun waar uit pakten, zochten we als volleerde speurders met onze zaklamp in de aanslag in half uitgeladen dozen en kofferbakken naar deze pareltjes waar niemand oog voor leek te hebben. Wat we betaalden? Vijf Belgische frank per stuk? Tien, maximum? Met plezier, want The Saint, die was heilig. Het was zijn aureool. Roger Moore. De gekleurde snijvlakken van de boekjes. Het was alles. De simplistische, aaibare illustraties van Dick Bruna waren de kers op de taart die al zoete slagroom had. Bij elke vondst: blijdschap alom. Een vreugdedansje, keer op keer weer.
Ik nam het boek van Hans Habe uit het rek en zag de omslag. Daarop een glimlachende zeemeermin met dikke zwarte contouren, een geladen maar beperkt kleurpalet van turquoise en roze. Speels, sensueel en licht verontrustend door die vreemde houding.
Ze glimlacht naar me. Ik knik en zeg in mezelf tot haar “Ja hoor, ik heb gezien dat je maar één oog en één tepel hebt. Wat een gekke, vreemde meid ben jij! En wat is dat met die vis?” Het is een tafereel dat moet duiden waar het boek over gaat, maar Bruna had een scherp oog voor grafische kwaliteit en liet illustratoren veel ruimte.
Het beeld voelt mythisch zonder mythologie en lichamelijk zonder erotisch te worden. Mijn focus ligt dagenlang op de omslag, niet wetende wie die zeemeermin getekend heeft. Tot ik besluit het boek eindelijk te openen en achteraan de naam van Celestino Piatti terugvind.
Op een onverwacht moment laat ik Kaatje mijn vondst zien met daarop mijn geliefde zeemeermin.
“Jammer dat het boek zo dik is. En het verhaal… Ik ga het nooit lezen.”
“Hou de omslag bij en gooi het boek weg”, antwoordt ze.
Neen dus.
Wat Bruna verbonden heeft, zal de mens niet scheiden.